Plasje doen

Gisteravond is het gebeurd. Het hele dorp heeft het gezien. Het plasje lag onderaan de muur, grijzig van het zandsteengruis dat van de muur gekomen was. Op de muur zaten nog de natte spetters. De veldwachter was komen kijken en had het officieel vastgesteld. Urine. En te zien aan de damp die traag omhoog kringelde was het nog niet lang geleden geweest dat iemand zijn blaas hier geledigd had. Zomaar tegen de kerk plassen. De burgemeester was erbij gekomen. Ten overstaan van De Bode had hij verkondigd dat dit duidelijk niet constructief was. Sterker nog, dit was slopen. Dat plassen, daar kon die zandstenen kerk helemaal niet tegen. Dit was regelrechte afbraak.

Jaap genoot. Hij had al maanden geleden aangekondigd dat hij tegen de kerk zou gaan plassen. De veldwachter had hem vorsend aangekeken. Dat ga je me toch niet flikken Jaap, had hij gebast. Dat doen wij nette mensen hier toch niet? De volgende dag hing er een papiertje op de deur van de veldwachterspost. “Urineren in het openbaar is streng verboden. De politie treedt op tegen overtreders”. De veldwachter liet zich door De Bode fotograferen naast het plakaat.

De volgende ochtend stond er in grote hanepoten bij gekalkt: “Het is ieders recht zijn behoefte te doen.” De veldwachter liet het zien aan de burgemeester. Die schudde terneergeslagen het hoofd. Waar ging het naartoe deze dagen? Die zondagmiddag in het theehuis, terwijl de harmonie pauzeerde, sprak hij de dorpelingen toe. Dat we toch met ons allen stonden voor onze waardigheid. Als wij hier zomaar overal gaan urineren, tegen een kerk nog wel, wat dachten ze dan wel in de grote stad, verderop? Dat we hier aan het ontsporen waren? En wat zouden ze dan doen? Een snelweg aanleggen, dwars door het dorp heen, dat zouden ze. ‘s Nachts, zodat we niks zouden merken. Dus laten we toch in ‘s hemelsnaam met z’n allen fatsoenlijk blijven.

Jaja, fatsoen! Alsof de burgemeester wist wat dat was, had Jaap geroepen. En alsof we op dat klokgelui de hele dag zaten te wachten. De kippen raken erdoor van de leg, verdorie. En waarom zei de burgemeester daar niks van? Nou? De dorpelingen keken elkaar glazig aan. Die burgemeester deed wel deftig, maar die Jaap was ook maar een rare. Al had hij wel gelijk met die kippen.

Jaap was nog langs de veldwachter gelopen. Vanavond gaat ‘t gebeuren, had hij gegrijnsd. De veldwachter keek hem verbolgen aan. En nu was de teerling geworpen. De blaas geleegd. Jaap kon niet meer terug. Al plassend had hij nog een vals deuntje geneuried en triomfantelijk figuurtjes getekend op de muur. Maar tijdens het nadruppelen moest hij even slikken. Dit was het dus. Het statement was gemaakt.

De burgemeester was er als de kippen bij en las zijn verklaring voor van een papiertje. Afbraak van de kerk, het was schokkend. En hij zei iets over een individuele actie en dat de gemeente hier niet achter stond. Respect, waardigheid en plassen op het toilet, daar stond het dorp voor. En na afloop handen wassen.

Zonder het te beseffen, waren Jaap en de burgemeester het roerend met elkaar eens over tenminste één ding: Die dag wierp het dorp zijn schaduw over de gehele wereld. De geschiedenis werd hier live geschreven. Het zou nooit meer hetzelfde zijn.

Leave a Reply